Het Galgenboompje

In het Moltbos staat een oude lindeboom met de grimmige bijnaam ‘Galgenbeumke’, oftewel ‘Galgenboompje’. Minder bekend is de bijnaam ‘Winkmeúle Beumke’, verwijzend naar een windmolen die hier vroeger in de buurt stond. 'Galgenbeumke' herinnert aan de executieplaats van Schaesberg, waar in de 18e eeuw Bokkenrijders zijn opgehangen. Niet aan de boom zelf, want daar is hij ondanks zijn hoge ouderdom te jong voor. Bovendien werden Bokkenrijders en andere misdadigers niet opgeknoopt aan bomen maar aan een galg. Die galg heeft ongeveer op deze plek gestaan. Het zou kunnen dat ouden van dagen het boompje in de 19e eeuw gebruikten om aan te wijzen waar ooit de Bokkenrijders hingen. Op die manier kan de bijnaam 'Galgenbeumke' zijn ontstaan.

4 beoordelingen

Peter Caspar ter Konig

Op 15 juni 1743 wordt Peter Caspar ter Konig in de kerker van Kasteel Schaesberg geworpen. Ter Konig is schoenmaker en woont ‘op den Scheijdt’. Dat is het dorp dat zich uitstrekt langs de tegenwoordige Hoofdstraat. De schepenbank van Schaesberg verdenkt hem van medeplichtigheid aan diverse overvallen op boerderijen, pastorieën en kerken. Drie andere verdachten, opgesloten in het kasteel van Herzogenrath, hebben dat onder tortuur verklaard. Ter Konig ontkent alles. De verklaringen van zijn medeverdachten wegen zwaar, maar voor een veroordeling is een bekentenis nodig. Er blijft niets over dan ‘scherpe examinatie’, oftewel ondervraging onder tortuur. Eerst volgt de territie, waarbij de beul zijn martelwerktuigen demonstreert. Voor Ter Konig is dat al voldoende. Bovendien kan hij geen kant meer uit. Op 15 juli bekent hij medeplichtigheid aan alle ten laste gelegde ‘huijsbraecken, knevelareijen en dievstaelen’.

Eén van de kelders van Kasteel Schaesberg waar Caspar ter Konig mogelijk gevangen zat
Eén van de kelders van Kasteel Schaesberg waar Caspar ter Konig mogelijk gevangen zat

Het Bokkenrijderslied

Tijdens zijn bekentenis noemt Ter Konig een indrukwekkend aantal medeplichtigen. Later volgen nog meer namen, zo’n honderd in totaal. Een bende van criminelen die als Bokkenrijders de geschiedenis in zullen gaan. Ter Konig wordt schuldig bevonden en op 16 september 1743 met negen anderen naar de executieplaats gebracht. Voor de ogen van een toegestroomde menigte worden ze opgehangen, verbrand, geradbraakt of gevierendeeld. Ook in omliggende banken worden tientallen Bokkenrijders opgeknoopt. Een golf van executies op grond van bedenkelijke, op de pijnbank verkregen bekentenissen. Tijdens zijn gevangenschap zou Ter Konig het Bokkenrijderslied hebben geschreven, al lijkt dit eerder een product van justitie. Het zevenentwintig strofen tellende lied eindigt met spijt : ‘‘Ende mijn hert dunkt mij te breken, Dat ik moet sterven die snoede doot. Spiegelt u hieraan gij klein en groot.’’

Bronnen

Augustus, L. (1991). ‘Vervolgingsbeleid en procesvoering tegen de Bokkerijders: het ontstaan van een waandenkbeeld’. PSHAL, 127, p.69-154.

Habets, J. (1886). ‘Een liedeken van de Bockenrijders uit het jaar 1743’. De Maasgouw, 8(13), p. 49-51. Geraadpleegd van https://dbnl.nl/tekst/_lie042lied02_01/_lie042lied02_01.pdf

Odekerken, J. & Schiffelers, J. (2005). Alles um d'r Sjeet. Voerendaal: Schrijen Lippertz Huntjens.

Pasing, T. & Ramaekers, G. (1972). De woeste avonturen van de Bokkerijders. Heerlen: Uitgeverij Limburgs Dagblad.

RHCL, Landen van Overmaas 1411-1795, Archief van de heerlijkheid en schepenbank Schaesberg, Rolle der criminele processen over de jaren 1738-1792, nr. 7829.

Deel deze locatie

Tip je vrienden die deze plek gezien moeten hebben! #ontdeklandgraaf